-
Gezegden uit de bijbel met uitleg
Ter elfder ure Matth. 20:1-16
Op het laatste ogenblik, terwijl de tijd dringt.
In gezegende omstandigheden verkeren
Zwanger zijn.
Niet van gisteren zijn Job 8:9
Goed op de hoogte zijn. Bij de pinken zijn. Bij de hand zijn.
Zijn handen in onschuld wassen Matth. 27:24.
Geen schuld hebben aan iets. Alle verantwoordelijkheid van zich afwerpen.
Van het houtje zijn
Rooms-Katholiek zijn.
Verboden vrucht Gen. 3:1-6
Iets dat verboden is. Onkuisheid.
Een stem in het kapittel hebben
Ook wat te zeggen hebben. Een kapittel betekent een vergadering van
kloosterlingen.
Hij is in de kerk geboren
Iemand die bij het binnenkomen de deur achter zich open laat.
Zijn licht niet onder de korenmaat zetten Matth. 5:15-16
Zijn kennis niet verborgen houden.
Het land van belofte Gen. 17:8
Een heerlijk, gelukzalig oord.
Iets met de mantel der liefde bedekken Gen. 9:23.
Een zwakheid van iemand anders vergoeilijken.
Door het oog van de naald kruipen Matth. 19:24.
Net aan een groot gevaar ontsnappen.
Iemands oogappel zijn Zach. 2:8.
Het dierbaarste dat iemand bezit.
Bij de pakken neerzitten Gen. 49:14
Moedeloos worden.
Wie met pek omgaat, wordt er mee besmeurd. Sirach 13:1.
Wie in slecht gezelschap verkeert, neemt gemakkelijk hun slechte eigenschappen
over.
Het verloren schaap Lucas 15:4-7.
Iemand die na lang zoeken eindelijk gevonden wordt.
De schellen vallen hem van de ogen Hand. 9:18.
Hij begint de zaak in haar ware gedaante te zien.
Hij is een roepende in de woestijn Matth. 3:3
Vruchteloze verkondiging van een waarheid.
De tekenen des tijds Matth. 16:3.
De aanwijzingen die het heden geeft voor toekomstige ontwikkelingen.
Tot zijn vaderen gaan Gen. 15:15.
Sterven.
|